Deel 1 Het ging om de werkelijkheid
In de vijftiger jaren van de vorige eeuw vond een radicale verandering plaats in het denken over de realiteit. Dit heeft nog steeds verregaande gevolgen voor hoe we met de gebouwde omgeving omgaan. In deze serie een poging, niet alleen om deze filosofische verandering inzichtelijk te maken, maar ook om de consequenties te schetsen voor het wonen, en het omgaan met, en ontwerpen van, de gebouwde omgeving.
In dit eerste deel een korte uiteenzetting van de filosofie waar we tot de vijftiger jaren vanuit gingen, en over de consequenties daarvan voor de ontwerppraktijk.
Afbeeldingen en meetbaarheid
In het begin van de 17e eeuw ontstaat een filosofie die grote invloed zou hebben op de ontwikkeling van de wetenschap en techniek. Uitgangspunt is dat onze menselijke ervaringen slechts afbeeldingen zijn van de realiteit. Daarmee ontstaat de vraag welke ervaringen accuraat zijn en de echte wereld weerspiegelen, en welke slechts illusies zijn. (Het zogenaamde ‘kritische probleem’) Na alle ervaringen eerst in twijfel te hebben getrokken, komt René Descartes in het begin van de zeventiende eeuw tot de conclusie dat het alleen om de werkelijkheid gaat bij ervaringen van zaken die je kunt kwantificeren, die je kunt uitdrukken in kilogrammen, meters of seconden. Bij alle ervaringen die daarbuiten vallen zou het slechts om een gevoel gaan, om illusies.
Door de meetbaarheid van de aldus gedefinieerde werkelijkheid kan er een verbinding met wiskunde op worden gelegd en daardoor kan men grip krijgen op de wereld. Zo kan Descartes, samen met wiskundige Isaac Beeckman, de wiskundige valformule opstellen.

René Descartes en Isaac Beeckman. Door Sheila Terry / Science photo Library
Met deze formule kan je een vallend lichaam wetenschappelijk beschrijven en uitrekenen , hoeveel seconden het duurt voordat een steen de grond raakt als je deze van een bepaalde hoogte laat vallen. Waarbij de uitkomsten overeenkomen met de waarnemingen! Deze filosofie maakt het dus mogelijk grip te krijgen op de wereld.
Wetenschap en techniek
En zo legt Descartes de basis voor een stormachtige ontwikkeling van wetenschap en techniek. De heerschappij van de heldere domeinen van de meetbare wereld, beperkt zich niet tot de wetenschap en de techniek, maar vestigt zich ook daarbuiten, in de productie, het verkeer, of meer algemeen gesteld: in de buitenwereld. (Veelbetekenend is misschien dat de ‘buitenwereld’ in het Engels ‘the real world’ wordt genoemd!) En zo zijn we terecht gekomen in de technocratie. Een wereld waarin mannen de boventoon voerden. Zij leven in de werkelijkheid. Andere ervaringen, dat zijn slechts illusies, daar loop je niet mee te koop: die zijn leuk voor thuis, voor de privésfeer, voor vrouwen en kinderen.
Andere krachten
Nu is de ‘overwinning’ van de technocratie op de buitenwereld niet absoluut. Als we ons tot de architectuur beperken, dan zien we de bijvoorbeeld Art Deco, de Amsterdamse school, en de Delftse School die eerder romantisch kunnen worden genoemd. Deze laatste architectuurbenadering was gelinkt aan de Faculteit Bouwkunde (Onderdeel van de Technische Hogeschool (nu Technische Universiteit Delft) en ‘goed voor oude huisjes voor oude besjes en snoepwinkeltjes’ zoals een criticus ooit opmerkte. Dit terwijl de andere Delftse faculteiten juist op de wetenschappelijke benadering voortbouwden. En nu de wetenschappelijke kant van ‘Delft’ genoemd is kunnen we ook de rivaliteit vermelden met de universiteit van Leiden, waar de alpha-wetenschappen gevestigd waren. Hoe konden deze op de wereld van de Antieken geïnspireerde wetenschappen worden verenigd met de op Descartes terug te voeren wereld van de beta-wetenschappen? Hier ontstond een slepend dispuut tussen de beide opleidingen.

Kale functionaliteit in de ‘hide out’ voor de illusie. Pinwheel House, Long Island, New York. 1952-1953. Peter Blake
Hoewel er dus stromingen naast het Modernisme bestaan gaat In de gebouwde omgeving uiteindelijk toch het door wetenschap en techniek geïnspireerde Modernisme de boventoon voeren. Met efficiënte plattegronden, logische constructies en zonder versieringen of nutteloze tierelantijnen. Daarbij proberen modernistische architecten ook door te dringen tot het interieur van woningen, tot de ‘hide out’ voor de illusie, de plek voor comfort, geborgenheid, associaties en herinneringen. Over het algemeen is men hier niet zo blij mee, maar soms zien bewoners er een eer in om hun interieur ‘open’ te gooien voor een modernistisch ontwerp.
Paradox
Saillant detail: terwijl Modernistisch vormgevers de technocratie tot expressie proberen te brengen maken zij gebruik van kwaliteiten die niet door wetenschap en techniek te onderbouwen zijn. Zij ontwerpen composities, op basis van aan de wetenschap refererende abstracties: rechte hoeken, orthogonale vlakken en primaire kleuren, maar daar komen metingen, noch wiskunde, aan te pas! Het gaat om pure esthetica. Paradoxaal genoeg kan deze inconsequentie voor een verhevigd gevoel van functionaliteit zorgen, wat deze architectuur beslist de moeite waard maakt.
Maar toch een gevoel dat niet tegemoet komt aan de vraag naar een omgeving die geborgenheid biedt, waar men zich veilig kan voelen en waar herinneringen kunnen voortleven.

Functionaliteit leidend, zeker! Zichtbaar gemaakt met behulp van een esthetiek, die een niet functioneel is maar een kwestie van gevoel… een paradox…. Misschien is dit ontwerp juist daardoor zo de moeite waard. Rietveld-Schröderhuis, Utrecht, 1924, Rietveld en Schröder.
We zouden ons kunnen laten verleiden om deze paradox die we in het Modernisme aantreffen te analyseren, maar dit probleem is, hoewel interessant, niet meer actueel.
In het volgende deel zullen we zien hoe de basis onder het Modernisme verdwijnt met de opkomst van een nieuwe filosofie, het existentialisme, waarin het gaat om waarheid en authenticiteit, begrippen die ons een geheel andere ‘echte’ wereld tonen dan de werkelijkheid van meten en wegen. Een wereld waarin wij ons voor geheel andere opgaven gesteld zien.
Deel 2 Het gaat het om de waarheid
Authenticiteit en waarheid
Het concept van ‘de ervaring als afbeelding’ wordt verlaten. De filosofie heeft uiteindelijk geconcludeerd dat dit concept bevestigd, noch ontkend kan worden, want daarvoor dan zou je buiten de waarneming moeten kunnen treden. En zo wordt voortaan het onderscheid tussen accurate afbeeldingen van de werkelijkheid en illusies beschouwd als ongegrond en achterhaald! Dit onderscheid heeft ons weliswaar veel gebracht, in wetenschappelijk en technische, en daarmee maatschappelijke zin, maar tegelijkertijd worden op basis van dit onderscheid betekenisvolle menselijke ervaringen ongefundeerd tot illusies verklaard. (Het ‘kritische probleem’ is van tafel)
De filosofie wordt fenomenologisch: alle ervaringen zijn van waarde, mits, er blijft een voorwaarde, mits zij authentiek zijn. Deze nieuwe stellingname wordt in eerste instantie uitgewerkt door Martin Heidegger, die zich afvraagt hoe de mens zich van de wereld bewust is. Terugkijkend constateert hij dat het bewustzijn, in de filosofie van de al of niet kwantificeerbare beelden, eigenlijk niet ter sprake is gebracht en ook niet kan worden gebracht. Een technisch proces dat op zichzelf betrokken wordt, denk aan de cybernetica, is nog niet hetzelfde als bewustzijn: een kamerthermostaat die reageert op de temperatuur is zich daar niet van bewust.
Creativiteit
Heidegger laat zien hoe wij ons op basis van het bewustzijn verhouden tot de wereld en hoe wij hier een ‘open’ houding kunnen aannemen, een houding die hij definieert als ‘Seinlassen’. Zo kunnen onze ervaringen tot bloei komen en zo kunnen er ook nieuwe ervaringen ontstaan. Waarmee ‘Seinlassen’ ook een ‘dichterlijke’ of een creatieve houding genoemd kan worden. Een heel ander perspectief dan de restricties van Descartes!
Vrijheid: keuze en actie
In een later stadium doen de Franse existentialisten van zich horen. Onder wie Jean-Paul Sartre, die de nadruk legt op de vrijheid die wij dankzij het bewustzijn hebben. Een beekje kan maar op één manier van de berg naar beneden stromen. Als wij, als bewuste wezens, van de berg afdalen, dan zijn we ons daarvan bewust, en daardoor zijn we vrij om een andere route te kiezen. Misschien wel terug omhoog. Dankzij ons bewustzijn kunnen wij kiezen, ook om in de wereld in te grijpen, en om onze omgeving te ontwikkelen. Keuze en actie!

Café de Flore, trefpunt van existentialisten in de jaren vijftig
Nieuw perspectief op de buitenwereld
Ons vertrouwde, maar onbevredigende, technocratische wereldbeeld staat nu ter discussie. Onze illusies uit de privésfeer blijken opeens, mits authentiek beleefd, pure waarheid te bevatten. Het leven in de privacy van de woning, van vrouwen en kinderen, is opeens van essentiële waarde, terwijl men zich in de buitenwereld, in de mannenwereld, met het oog op de werkelijkheid, misschien nog gewichtig gedraagt, terwijl dat een rol blijkt te zijn, een pose, dat is niet authentiek. Als zij denken dat hun robotachtige gedrag weergeeft dat zij met de werkelijkheid verkeren, dan vergissen zij zich, nu is dat juist een illusie. De rollen zijn radicaal omgekeerd!
In het nieuwe perspectief kan iedereen deel hebben aan de creatieve houding, waarin misschien nieuwe kanten aan de wereld om ons heen ontdekt kunnen worden, en keuzen maken en desgewenst in actie te komen. We leven nu in een wereld van creativiteit, keuze en actie. Een groot avontuur voor iedereen.
Situationisten
Hoe nu verder? De buitenwereld, dat immense, voorheen functionele domein van techniek, productie en vervoer, ligt opeens open voor alle mogelijke ervaringen, om ontdekt te worden. Wat zou men hier allemaal kunnen ervaren, beleven. Welke nieuwe ervaringen zouden zich aandienen? Welke nieuwe mogelijkheden zouden we willen kiezen om voor in actie te komen, om te verwerkelijken?

Leven in het nu
The Naked City door de voorman van deParijse Situationisten: Guy Debord.
Een kunstenaarsgroep in het Parijs van de vijftiger jaren, de ‘Situationisten’, leggen de nadruk op de nog onbekende, authentieke ervaringen die men in de stad kan opdoen, door de stad te bezoeken, zich open te stellen en ‘in het nu’ te leven. Denk aan ‘Seinlassen’ van Heidegger. Daartoe vinden zij de zogenaamde ‘dérive’ uit, de ‘dwaaltocht’, waarbij zij er bijvoorbeeld op uit gaan om te zoeken naar het zogenaamde ‘psychogeografische’ karakter van stadsdelen, of met de kaart van Parijs gaan dwalen, bijvoorbeeld door Berlijn.
Misschien onnodig te zeggen dat zij zich resoluut hebben afgekeerd van het modernistisch, lees technocratisch, gedachtengoed, dat een van de situationisten, Gilles Ivain als volgt omschrijft:
Een geestesziekte heeft zich meester gemaakt van de planeet: de banalisering. Iedereen is gehypnotiseerd door de productie en het comfort: riolering, lift, badkamer, wasmachine (…) Overal heeft de jeugd van alle landen mogen kiezen tussen de liefde en de automatische stortkoker en overal is de keuze gevallen op de stortkoker.
Bij dit voorbeeld van de Siruationisten hebben we vooral naar de dichterlijke blik gekeken, naar de creativiteit, die dankzij de nieuwe filosofie de kans krijgt. In het volgende deel zal ook hier nog even de nadruk op liggen.
Deel 3 Wat nu met de gebouwde omgeving
Situationisten
Er anders naar kijken is één ding, maar hoe gaan we de ’buitenwereld’ nu bewonen of gebruiken en ontwerpen? De van oorsprong Nederlandse situationist Constant Nieuwenhuijs maakt een ontwerp, ‘New Babylon’, voor een ‘buitenwereld’ waarin men op avontuur kan gaan: een netwerk van constructies, die hoog over de bestaande gebouwde omgeving heen lopen. Daar zullen we op avontuur kunnen gaan, nieuwe dingen beleven, creatief zijn terwijl intussen robots ons geestdodende werk zullen doen. Echte robots, want werk is niks voor mensen. We zien hier een nadruk op creativiteit.

Canstant Nieuwenhuijs: schets voor New Babylon
Bij Constant Nieuwenhuijs ligt de nadruk op creativiteit, maar je een andere situationist, Yona Friedman gaat verder en benadrukt dat we onze steden steeds moesten kunnen aanpassen aan onze veranderende behoeften. Hier zie je dat niet alleen creativiteit, maar ook keuze en actie verbonden worden met de nieuwe stedenbouw en architectuur.

Yona Friedman: Architecture of tryal and error
Team X
Ook bij meer praktisch gerichte architecten kan men aanzetten vinden voor een stedenbouw die gericht is op een bewoonbare buitenwereld. In de architectengroep ‘Team X’ pleit men voor de ‘menselijke maat’ van de gebouwde omgeving. Plaats woningen niet in een grootschalig niemandsland waar men zich verloren voelt, maar neem ze op in een reeks van schaalniveaus, straten, buurten en wijken, die een overgangsgebied vormen tussen de ‘privéwereld’ van de woning en de openbaarheid van de stad. Credo: zie de stad als een boom. Team X lid Aldo van Eyck geeft een aanzet met door zijn ‘Burgerweeshuis’ in Amsterdam te voorzien van verschillende schaalniveaus.

Zogenaamde bloemkoolwijk (volgende bladzijde)
Woonerf en bloemkoolwijk
De gedachte van de bewoonbaarheid van de gebouwde omgeving leidt ook tot het concept ‘Woonerf’, met dank aan Joost Vahl. Geen onderscheid meer tussen stoep en straat en de auto moet voorrang verlenen aan voetgangers, denk ook aan spelende kinderen. Verder verspringingen van de weg-as en verkeersdrempels om auto’s af te remmen. Voeg hier aan toe de gedachte aan de stad als boom en zo ontstaat wat later de ‘Bloemkoolwijk’ zou worden genoemd. Nu is het wonen niet meer veroordeeld tot het interieur van de woning, bewoners kunnen ook voor de deur zitten, met buren verkeren en een oogje op de kinderen houden die buiten spelen.
Een probleem is alleen de onoverzichtelijkheid! Bewoners hebben daar niet zo’n last van, zij voelen zich daar thuis en weten de weg, maar buitenstaanders hebben de neiging hier te verdwalen. (Kennelijk is men niet zo geïnteresseerd in avontuurlijke ‘dwalen’ zoals bij de dérive).
Capsulaire samenleving
De reactie hierop komt van Carel Weeber, die de zakelijkheid terugbrengt, als hij pleit voor het herinvoeren van het rechthoekig stratenpatroon met geïsoleerde bouwblokken. Lieven de Cauter spreekt hier van de ‘capsulaire samenleving’, die wordt beheerst door angst, waar je je niet thuis voelt.
Dysnificatie
Na deze onderbreking worden zien we het idee van de bewoonbare buitenwereld weer terugkomen in de ‘beleveniseconomie’. Er onstaan themawijken: western style, (zoals in Disneyland) of kastelenstijl, (zoals in Haverleij) of een replika van een negentiende eeuwse stad, zoals Brandevoort, (compleet met de zogenaamde resten van oude verdedigingswerken). Een aanpak die toch wat te kunstmatig aandoet, er wordt wel gesproken van Disneyficatie. Dit is toch niet echt een vorm van stedenbouw waar creativiteit, keuze en actie tot hun recht komen. Er is te duidelijk een script aanwezig dat tot toneelstukjes uitnodigt, een soort ingebakken inauthenticiteit.

Brandevoort
Boompjes, bosjes, bankjes en blije bewoners
De laatste stedenbouwkundige ontwikkeling wil niet alleen de bewoner omarmen, maar ook de natuur. Op renders verschijnen straten met veel groen, boompjes en bosjes, met daar tussen bankjes met blije bewoners die praatjes met elkaar maken.

Boompjes, bosjes, bankjes en blije bewoners
Kijk je naar de gerealiseerde plannen, dan zie je wel de boompjes, bosjes en bankjes, maar niet de blije bewoners… We moeten nog eens goed kijken wat we aan het doen zijn…

Bomen, bosjes en bankjes…..maar waar zijn de blije bewoners
In het volgende deel gaan we, om wat te leren over betrokkenheid van bewoners op hun omgeving, te rade bij van woonvormen waar bewoners woonfuncties delen: gemeenschappelijk wonen.
Deel 4 Schaalniveaus
Een sociaal/ruimtelijke reeks
De buurten met boompjes, bosjes, bankjes (en de vermeende blije bewoners) missen veelal een essentiële eigenschap: een boomstructuur. (Denk aan Team X en de bloemkoolbuurten) Maar pas op, alleen een boomstructuur, een reeks van ruimtelijke schaalniveaus, is niet voldoende, nodig is ook dat daarin een reeks van sociale schaalniveaus is opgenomen, die samen een sociale context vormen. Waarom is die belangrijk?
Hiervoor kijken we naar een voorbeeld van een dergelijke structuur, namelijk die van woongemeenschappen. Deze zijn over het algemeen voorzien van kleinschalige ruimtelijke schaalniveaus waarin een sociale context is opgenomen, een combinatie waarin bewoners, gezien hun aantal en ook gezien hun activiteiten, tot hun recht kunnen komen. Denk aan een woonkeuken voor 5 a 10 personen. Echter, hiermee zijn we er niet: voor de identiteit van deze kleine groepen, als groep, is de openbaarheid van de buitenwereld nog steeds te groot om als context te fungeren. Er is behoefte aan een kleiner schaalniveau waarin de verschillende groepen van het woonproject zichtbaar kunnen worden en tot hun recht komen. Zo kan de ‘projectruimte’ ontstaan, de sociaal/ruimtelijke context op het schaalniveau van het ‘project’. Uitgerust met een bar, een hobbyruimte en een misschien moestuin. Op deze manier doorredenerend zien we dat elk sociaal/ruimtelijk schaalniveau een hoger schaalniveau nodig heeft als sociale context en de ruimtelijke drager daarvan. Schaalniveaus die tot leven komen door passende activiteiten.
Nu wordt begrijpelijk dat boompjes, bosjes en bankjes pas effect hebben, hun ‘werk’ kunnen doen, als ze deel uitmaken van een sociaal/ruimtelijke context die is voorzien van functies die bewoners bij elkaar kunnen brengen. Waar men elkaar niet alleen kan ontmoeten, maar ook samen kan werken.
Bijvoorbeeld een Fransman
Op deze manier kan ieder individu worden opgenomen in een gelaagde sociaal/ruimtelijke context, waardoor je kunt zeggen dat iedereen ook een gelaagde identiteit heeft.
Wie bijvoorbeeld op vakantie is in Frankrijk, zal in de sociaal/ruimtelijke context van het land als geheel niet als individu tot z’n recht kunnen komen, maar als ‘Nederlander’ kun je jezelf relateren aan de ‘Fransman’. ‘Wij’ eten geen stokbrood maar plakjes brood met boter en beleg, maar die petten zie je bij ons ook!’. Zo gebruik je de ‘nationale’ laag in je identiteit. En er zijn meerdere lagen, die je kunt relateren aan een sociaal/ruimtelijke context op een hoger of lager schaalniveau. Als Amsterdammer in de Jordaan of als Schilderswijker op de Grote Markt in Den Haag.

Gelaagde identiteit. ‘Zij’ zijn niet zoals ‘wij’.
Openbare privéruimte
Met elkaar in contact komen… op lagere niveaus kent men elkaar, daar kan men elkaar aanspreken, (aangenomen dat er ruimtelijke schaalniveaus en activiteiten zijn die als drager fungeren voor de sociale context, zoals terrassen, een restaurant, een bioscoop, werkplaatsen, scholen en winkels. Op hogere niveaus is misschien meer nodig. Hier kunnen wat ik heb genoemd ‘openbare privéruimten’ een stimulans zijn voor ‘terloopse contacten’ Uit onderzoek is gebleken dat dergelijke contacten ervoor kunnen zorgen dat men zich in de straat of buurt thuis voelt en veilig (Thaddeus Müller)
Hoe kan je dergelijke aanleidingen voor contact tussen vreemden vormgeven? Denk aan een bushalte: een plek die openbaar is, maar met het (ruimtelijke) schaalniveau van een privéruimte. Hier kan men gemakkelijk een praatje beginnen, bijvoorbeeld over de bus of de bustijden en daarna misschien over het weer of een bijzondere voorbijganger. In abstracto: het gaat om een plek in de openbaarheid met de schaal van een privéruimte, waar men met vreemden van gedachten kan wisselen, met behulp van uitzicht op een onderwerp van gesprek, een ‘conversation starter’. Zo kan men, in plaats van aan een bushalte, ook denken aan bankjes bij een speelplekje, gelegen langs een route, waar ouders even kunnen gaan zitten als zij op de kinderen passen en ook voor ouderen die, op weg naar of van de supermarkt, even willen rusten. Zij treffen elkaar daar voor een praatje, misschien in eerste instantie over de kinderen. In plaats van een speeltuintje kan het ook gaan om bankjes bij een sportveldje, of aan de rivier, bij een uitzichtpunt, een kunstwerk, een snackcar, of een terras…
Zolang het ontwerp maar zo is dat men kan gaan zitten zonder verplicht te zijn tot een ‘terloops contact’, terwijl dat wel mogelijk is voor wie dat wil. Door de schaal van het zitplekje en de conversation starter.

Speelplekje in de wijk Tanthof in Delft. Bankjes niet te ver van elkaar en ook niet te dicht bij elkaar, voor een ‘terloops contact’. Wie voorbijkomt wandelen kan, als er al mensen aanwezig zijn, ‘en passant’ op een bankje of op het muurtje gaan zitten en al of geen contact leggen. Hier met het spelen van de kinderen als ‘conversation starter’.
Wat we in dit deel nog steeds gemist hebben, zijn de aspecten ‘keuze en actie’. Ook op dit vlak kunnen we wat leren van gemeenschappelijk wonen. Deze aspecten komen nog aan de orde, maar pas na het volgende deel.
Deel 5 Ontbrekende schaalniveaus en grote ego’s
Individualisering en eenzaamheid
We raken steeds meer van elkaar geïsoleerd. In het werk bevinden we ons in een neoliberaal ‘ieder voor zich’, waarbij vakbonden verouderd lijken en waarin men lijkt te accepteren dat je ‘het kan maken’ als je maar hard genoeg werkt. (Byung-Chul Han) Zoniet dan ben je een loser, eigen schuld. (Of gewoon Charles Darwin)
Een ander verschijnsel op het werk, is automatisering. Wat neerkomt op minder contact met collega’s.
Dan de dienstensector. Denk aan een treinstation in de Ardennen (Grupont) dat is dichtgetimmerd. Vervangen door een wachthuisje en een kaartjesautomaat. Plus een aanbeveling kaartjes via internet te bestellen. Geen sociale plek meer waar je iets kunt drinken, waar je een kaartje kunt kopen en passant inlichtingen kunt inwinnen bij een levende persoon, een officials die ook een oogje in het zeil houdt. In plaats daarvan je mobile telefoon voor de inlichtingen en cameratoezicht.

Ook kun je tegenwoordig individueel, bij een automaat, inchecken op Schiphol.
Dan zie je meer en meer zelfscan kassa’s in supermarkten.
Je kunt je nog verder terugtrekken door producten via internet te bestellen.
Wie nog wel naar de winkel gaat kan zich afvragen wat de voorkomendheid van de verkoper eigenlijk betekent. We weten allemaal dat we als klant geen koning zijn, maar verdienmodel. En een verkoper kan nog zo vriendelijk zijn, je weet nooit of hij/zij zich niet zo voorkomend gedraagt uit eigen gewin. (Dit is geen neveneffect van, maar het idee achter het liberalisme)
Voor de toekomst hebben we dan nog de koelkast die zelf voedingsmiddelen bijbestelt en diverse woonfuncties die geautomatiseerd kunnen worden. Van gordijnen die automatisch dicht gaan tot rustgevende muziek die gaat klinken als een bewoner zich misschien niet helemaal happy voelt of boos wordt. Hoe triest kun je opgemonterd worden!
Eenzaamheid
Is dit iets waar we ons zorgen over moeten maken? Ik denk het wel: uit onderzoek blijkt dat ca 50 % van de Nederlanders zich regelmatig eenzaam voelt. (RIVM) terwijl ongeveer 20% van de jongeren (RIVM) hulp nodig heeft bij psychische problemen.

Helft jongeren is eenzaam, volgens VZinfo / Volksgezondheid en Zorg 2023
Fantasiesystemen en samenzweringstheorieën
Het blijkt dat mensen die in moeilijke omstandigheden verkeren het meest vatbaar zijn voor fantasiesystemen (Antipsychiater Ronald Laing) Dit komt neer op het uitvinden van een gevaarlijke, vijandige buitenwereld, om te redden wat er te redden is en het gezin bij elkaar te houden. Helaas een ‘double bind’ voor gezinsleden als zij deze vijandigheid in de buitenwereld niet tegenkomen: als zij hun eigen ervaring volgen verraden zij het gezin, als zij het gezin volgen verraden zij zichzelf.
Recente samenzweringstheorieën lijken hierop, en het probleem is niet alleen de ‘double bind’, maar ook het feit dat de betreffende fantasie, bijvoorbeeld een elite die babybloed drinkt, het zicht ontneemt op wat er werkelijk speelt, waardoor de situatie geen handvat bieden om tot actie over te gaan.
Grote ego’s
Mensen die zich kwetsbaar voelen, zijn ook vatbaar voor het idee houvast te zoeken bij hun ego. Zo komen zij in een staat waarin zij menen rechten te hebben op grond van wat hun ego dicteert. Zij verwarren het maken van keuzen met de dwangmatige rol gespeeld door hun ego.

Opzij allemaal, ik moet erdoor van m’n ego!
Stoere (en kwetsbare) ego’s manipuleren die hun omgeving, kiezen vaak voor behoud van de status quo en miskennen zo ook zichzelf. Waardoor het avontuur van creativiteit, keuze en actie niet tot ontplooiing komt. Integendeel!
In het volgende deel komen we terug, niet alleen op creativiteit, maar nu ook op keuze en ontwikkeling, als alternatief voor het geestdodende werk dat wij moeten doen. Alsof we robotjes zijn. Hiervoor kijken we weer naar gemeenschappelijk wonen.
Deel 6 Werken weer terug, maar nu beter
Beter dan robots
In het ‘New Babylon’ van Constant Nieuwenhuijs, wordt al het werk gedaan door robots. Bewoners van deze utopie die elke dag op avontuur gaan, werken niet. Dat is misschien te begrijpen vanuit de manier waarop werk in onze maatschappij georganiseerd is, op een manier waarbij we dag in dag uit moeten functioneren. Zonder, als ‘makers’, zicht te hebben op ‘gebruikers’, en op een betekenisvolle wisselwerking tussen ‘makers’ en ‘gebruikers’. Laat dan echte robots het werk maar doen!
Maar zo gooien we het kind met het badwater over boord, op dat moment krijgt een leven op basis van creativiteit, keuze en actie geen kans meer.
Zoals in de eerdergenoemde situationistische utopie van Yona Friedman, waar bewoners niet alleen op avontuur gaan, maar waarin zij ook, naar eigen inzichten, hun omgeving kunnen veranderen. Daarmee kunnen een betekenisvolle ontwikkelingen vorm krijgen. Voor voorbeelden uit de praktijk kunnen we weer kijken naar woongemeenschappen, waar werk is opgenomen in het wonen. Niet alleen het huishoudelijk werk, maar ook werk in de (moes)tuin, of in de werkruimten waar men meubels kan schilderen, of kastjes kan timmeren en misschien graven bewoners wel een vijver in de tuin, vervangen ze het tuinhek, of richten zij ergens buiten een beschutte plek in, beschermd tegen zon, wind en regen… En niet te vergeten, in sommige projecten doet men ook onderhoudswerk aan de eigen behuizing.

Bewoners plaatsen een nieuw hek in Centraal Wonen Delft
Wisselwerking makers en gebruikers
Het verschil met wat gewoonlijk ‘werk’ wordt genoemd is dat in een woongemeenschap een wisselwerking kan ontstaan, overleg, tussen bewoners als ‘gebruiker’ en als ‘maker’. Waarbij degenen die het werk doen hun motivatie ontlenen aan ‘voor wie ze het doen’, terwijl de gebruikers opleven omdat zij ‘persoonlijk’, met aandacht, worden behandeld, aandacht die ook tot creatieve ontwikkelingen kan leiden. Dit is werk op een heel andere basis dan bij Adam Smith, die dacht in termen van geruild eigenbelang. Deze visie, het ‘ieder voor zich’, biedt, zoals we om ons heen kunnen zien, een eenzaam perspectief voor velen, en niet alleen in sociaal-psychologisch opzicht blijkt zij destructief, denk aan uitbuiting van mensen en uitputting en vervuiling van het milieu.
Er is ook een verschil met huishoudelijk werk in de privésfeer, Deze vorm van werk kan uitlopen op ‘corvee’, op herhaalde en weinig gewaardeerde routine klusjes, maar hier ligt een wisselwerking tussen ‘makers’ en ‘gebruikers’ misschien toch meer binnen handbereik.
Ook op hogere schaalniveaus
Overleg tussen ‘makers’ en ‘gebruikers’ is vanzelfsprekend op de sociale schaalniveaus in woongemeenschappen, maar daartoe hoeft het niet beperkt te blijven: in buurten en wijken is een ontwikkeling gaande waarin dergelijk overleg essentieel is. Denk aan coöperaties en Community Land Trusts. En aan de vele initiatieven waar buurtbewoners, zonder formele organisatie, met elkaar en aan elkaar diensten verlenen. Zo kan een op creativiteit, keuze en actie gebaseerde manier van produceren van onderop worden opgebouwd. Wat misschien logisch klinkt, maar waarbij we kunnen rekenen op fikse (en begrijpelijke) weerstand van belangenpartijen.
Wat automatiseren?
Voor alle duidelijkheid, dit alles betekent niet ’geen robots’. Het gaat er niet om alle automatisering uit te bannen zodat mensen het werk kunnen doen… automatisering is een groot goed, zolang het maar in dienst staat van de ‘makers’ Je maakt een concertpianist niet blij met een pianola.

Concertpianist is not amused door pianola
Ook moet voorkomen worden dat door automatisering wenselijke communicatie tussen ‘gebruikers’ en ‘makers’ de pas wordt afgesneden, zoals bij het genoemde station in de Ardennen, dat vervangen werd door een wachthuisje met kaartjesautomaat (als die er nog staat, kaartjes kunnen ook via internet besteld worden), zelfscanners in winkels of op luchthavens. Of als winkels door een internetsites worden vervangen.
In het laatste deel kijken we of en hoe we de beschreven inzichten kunnen toepassen. Hoe eerder we beginnen, hoe beter!
Deel 7 Toekomstperspectief
Ontwerpers kunnen vast beginnen
Het mooie van dit toekomstperspectief is dat het architectuur en stedenbouw er een grote rol in spelen. We kunnen er dus aan bijdragen. Temeer daar wij als architect of als stedenbouwer bekend zijn met het overleg met ‘gebruikers’, een samenwerking waar niet zelden oplossingen worden gevonden die nieuw zijn en inspirerend voor zowel ‘gebruikers’ als voor ons, ’makers’.
Misschien kunnen we ook speciale ruimten ontwerpen, paviljoens, waar geëxperimenteerd kan worden met ontwerpoplossingen. Door middel van makettes of virtuele beelden.

Weet je wat!
Wat kunnen we doen
Zo kunnen we samen aan de slag, niet alleen om boompjes, bosjes en bankjes te plaatsen, maar ook om verschillende, opeenvolgende, ruimtelijke schaalniveaus te ontwikkelen, de boomstructuur die kan dienen als drager van de sociale context, doordat zij functies bevatten waar mensen elkaar ontmoeten. Dat kunnen winkels zijn of werkplaatsen, maar ook moestuinen of bloementuinen, een voedselbos misschien, skatebanen of pumptracks, een podium, glijbanen, klimbomen, sportveldjes, hangplekken of last but not least: ‘openbare privéruimten’ voorzien van een ‘conversation starter’.
Ook kan gedacht worden aan flaneerstroken waar men zich op z’n best kan laten zien of aan ‘wandelgangen’ door de ‘rafelranden’ in nieuw te ontwikkelen gebieden waar men, subversief, over vernieuwing kan discussiëren.
En wie weet waar het overleg met ‘gebruikers’ nog meer toe leidt…
Flip Krabbendam Delft febr. 2026