Autorijden als een existentialist



Antoine Minartz, 1910, Olie op canvas

Over vrijheid en zelfverwerkelijking

Het idee van vrijheid is essentieel in gesprekken over het existentialisme. Volgens deze filosofie zijn we vrij om onze eigen weg te gaan en onze eigen doelen te bepalen en te realiseren. Kunnen we deze inzichten ook toepassen op het autorijden? Om te beginnen een korte uiteenzetting over het existentialisme. Daarna zal ik proberen het autorijden in een existentialistisch perspectief te plaatsen. 

Twee houdingen
In het existentalisme wordt ervan uitgegaan dat wij, als mensen, niet opgaan in onze omgeving, dat we niet samenvallen met de natuurkundige of biologische processen die ons omringen, maar dat we ‘vrij’ zijn en als ‘vrijheid’ de wereld van onszelf kunnen onderscheiden, of onszelf van de wereld.
In het eerste geval laten we de omgeving op ons inwerken, dan zijn we receptief; in het tweede geval werken we zélf op de wereld in, dan zijn we actief.
Voor de receptieve houding zal ik de term ‘situationeel’ gebruiken omdat het hier om de situatie gaat, om hoe deze op ons inwerkt, hoe we deze ervaren of beleven. Voor de actieve houding zal ik de term ‘instrumenteel’ gebruiken omdat we hier verkeren in de functionele sfeer van instrumenten waarmee we op de wereld inwerken.

Ontwikkeling en zelfverwerkelijking
Het interessante is dat beide houdingen niet alleen tegenpolen zijn, de verhouding tussen beide houdingen kan zorgen voor ontwikkeling.
Een voorbeeld:
Stel, op een wandeling door het bos stuiten we op een ruisende stroom. Terwijl we een moment rusten nemen we de ‘situationele’ houding aan. Receptief kijken we rond en zo ontdekken we aan de overkant van de stroom een boom met heerlijke appels, terwijl wij na enige tijd, in de schaduw, nog een struik met rijpe bramen menen te ontwaren, en misschien een mooie pick-nick plek. Waarmee duidelijk is dat we als ‘vrijheid’ steeds open staan om nieuwe kwaliteiten te ontdekken.
In deze situatie kijken we verlangend kijken we naar de overkant van de stroom.
Hier moet iets gebeuren. Deze constatering verraadt dat we de ‘instrumentele houding’ hebben aangenomen, waarin we inwerken op de wereld. Nu valt ons oog op een boomstam die langs de oever ligt. We kijken of we die kunnen optillen, en als dat lukt leggen we deze over de stroom.
Nu kunnen we naar de overkant, met een laatste inspanning, over de boomstam de stroom oversteken om terug te keren naar de ‘situationele’ houding, om te genieten van de appels of de bramen. En om te denken over de beste plek voor een pick-nick tafel. Hoe dan ook, een plek om vaker naar terug te keren.

Dan kan blijken dat de boomstam die als brug fungeert, niet erg handig is en dat er soms iemand af glijdt en in het water belandt. Een nare ‘situationele’ ervaring die opnieuw leidt tot de conclusie dat er iets aan gedaan moet worden. Waarmee we terug zijn bij de ‘instrumentele’ houding. Als ‘vrijheid’ zijn we nu ‘vrij’ om te kiezen: leggen we er een boomstam naast, of spannen we er een touw boven om ons aan vast te houden. Of kijken we de situatie nog even aan?
Zo zien we hier hoe de afwisseling van onze ‘situationele’ en onze ‘instrumentele’ houding voor een verdere ontwikkeling van de situatie kan zorgen. Een proces waarin we tegelijkertijd onszelf als ‘vrijheid’ verwerkelijken.

Happy motoring
Maar wat heeft dit alles nu te maken met autorijden? Wat ik hier zou willen laten zien is hoe de manier waarop we de auto gebruiken ook begrepen kan worden als een wisselwerking van de ‘situationele’ en de ‘instrumentele’ houding, een wisselwerking die leidt tot ontwikkeling en zelfverwerkelijking. Dit zou kunnen verklaren waarom zo veel mensen graag willen autorijden…

Op weg
We hebben gezien dat de ‘situationele’ houding betekent dat we de wereld op ons in laten werken en dat we hierbij, als ‘vrijheid’, ook open staan voor nieuwe kwaliteiten.
Zoiets gebeurt ook als we erop uit gaan met de auto. Achter elke bocht, over elke heuvel ontdekken steeds nieuwe perspectieven met nieuwe kwaliteiten. Zo kunnen we in de verte, tussen twee heuvels, een stukje van de zee ontdekken, of een kasteel, bovenop een heuvel. Nu kan het idee ontstaan om daar een bezoek aan te brengen. Maar hoe komen we daar?

De weg zoeken
Nu moet er iets gebeuren: we moeten de weg vinden. Kijken we op de kaart? Stellen we de navigatie in? Of houden we onze ogen open voor wegwijzers? We kunnen ook iemand de weg vragen!
Wat we ook kiezen, we gaan iets doen, we hebben de ‘instrumentele’ houding aangenomen.

Grenzen
Nu kan het gebeuren dat het kasteel moeilijk te bereiken is door een ondergelopen weggedeelte. Dat betekent dat er grenzen verkend moesten worden. Is de plas niet te diep voor de auto?

Het kan ook zijn dat uit online informatie blijkt dat de laatste rondleiding over korte tijd begint en dat haast geboden is om deze te halen. Op dat moment is het zaak de grenzen op te zoeken van de snelheid. Om te verkennen hoe snel bochten genomen kunnen worden. Waarbij het wel eens extra moeilijk kan zijn als de weg langs onveilige bermen voert.

Nieuwe situatie
Als we het kasteel gevonden hebben hoeven we alleen nog ‘instrumenteel’ te parkeren en dan kan de nieuw verworven situatie verkend worden. Compleet met de verhalen over, en associaties met het verleden van het kasteel. Stel je eens voor hoe het was… Wie weet wat voor kwaliteiten hier te ontdekken zijn.

Zelfverwerkelijking
In voorbeeld van de wandeling hebben we de situatie verkend (het bos) en iets interessants aangetroffen (appels). En iets nieuws (bramen en een pick-nick plek) We hebben een moeilijkheid ontdekt (hoe komen we daar), mogelijkheden verkend om deze te overwinnen (boom gevonden) grenzen verkend (kunnen we de boomstam optillen) en gewerkt om ons plan te realiseren (brug gebouwd), waarna er sprake was van een nieuwe situatie (appels, bramen en potentiële pick-nick plek nu bereikbaar).
Toen we in de auto stapten hebben we ook een situatie verkend (het landschap) en iets interessants aangetroffen (een burcht), een moeilijkheid ontdekt (hoe komen we daar),  mogelijkheden verkend om deze te overwinnen (op de kaart gekeken) en gewerkt om deze te benutten (de weg naar de burcht gevolgd), waarbij we grenzen moesten verkennen (bochten nemen, door plassen rijden en misschien wel langs afgronden…), waarna er sprake was van een nieuwe situatie (we waren op de burcht).
In beide gevallen hebben we dus een situatie ondergaan, aantrekkelijke kwaliteiten gevonden, een hindernis ontdekt en overwonnen, waarop we een nieuwe situatie hebben verworven. Nu is de situatie in het geval van de boswandeling letterlijk ontwikkeld, terwijl in het geval van het autorijden een nieuwe situatie is bereikt, of ontsloten. Toch zou ik in beide gevallen van ‘ontwikkeling’ willen spreken. In het eerste geval spreekt dat voor zich, maar in het tweede geval is er ook sprake van een ontwikkeling, waarbij de betrokkenen locaties in hun landschap kunnen ‘veroveren’.
Waarbij we onszelf in beide gevallen verwerkelijken als ‘situationele’ (ontvankelijke) en ‘instrumentele’ (handelende) subjecten.
Zoals we hebben gezien gaat zoiets niet zonder moeite en onzekerheid: een boom verplaatsen dan wel kaartlezen, wegbewijzering in de gaten houden; een stroom oversteken over een wiebelige boom, dan wel door plassen rijden, of langs een afgrond: inspanningen leveren en experimenteren met de grenzen is part of the deal.
In het proces van zelf-realizatie betekent ‘vrijheid’ dus niet dat je moeiteloos kunt doen wat je wil of makkelijk met de auto overal kan komen… ‘vrijheid’ betekent hier dat je niet samenvalt met de omgeving, waardoor je er iets van kunt vinden en iets van kunt maken, waarmee je jezelf als ‘vrijheid’ realiseert.

Grenzen als uitdaging
Bochten beperken de snelheid. Maar je kunt de grenzen proberen te verleggen voor als zich een noodgeval voordoet, als er een aansluiting gemist kan worden, of om een sluitingstijd te halen. Het is interessant om hier een sportwagen voor te nemen, liefst met open dak, zodat je ook goed kunt ervaren hoe ver je van de grens af bent. Nu is racen op de openbare weg verboden, en niet voor niks, dus het is dubbel uitkijken geblazen.

Coureurs zoeken de grenzen op, op een race circuit. Maar daar rijden zij alleen maar rondjes, en gaan nergens heen, dus wat zou het opzoeken van grenzen hier voor betekenis hebben? Iets doen dat nuttig is, ‘instrumenteel’, maar dan in een setting waarin dat nergens toe dient, waar een ‘situationeel’ doel ontbreekt, strict genomen heeft dat geen enkele zin…
Maar minder strict kunnen we misschien aantekenen dat ‘de grens opzoeken’ in dit geval de dood dichterbij kan brengen, waardoor de vraag wat het eigenlijk betekent als ‘vrijheid’ te leven zich opeens levensgroot aan ons vertoont.

En wat te denken van deze grens: de wegen die we normaal gesproken volgen om ons doel te bereiken zijn voor sommigen, hoe ‘instrumenteel’ of nuttig ook, toch te begrensd. Zij spreken hierbij van ‘platgetreden paden’. Liever proberen zij op eigen kracht een weg door het landschap te vinden. Off road. Hoe ver kun je daarin gaan? Stuurmanskunst is hier in het geding, gevoel voor evenwicht en voor wat de auto aan kan.  Degenen die deze grenzen onderzoeken passen die ‘instrumentele’ kennis meestal niet toe op weg naar een nieuwe ‘situatie’ in een proces van zelfverwerkelijking. Dat doen misschien alleen militairen die zich voorbereiden op de strijd, die grotendeels buiten de paden gevoerd zal moeten worden, maar voor anderen heeft het oefenen in het off road gaan, strict genomen, geen zin.
Maar ook hier kunnen we minder strict zijn en zeggen dat dit een manier kan zijn om praktisch te reflecteren op het leven, omdat off road gaan kan worden gezien als een metafoor van de veelomvattender vraag in hoeverre je je eigen weg kunt gaan, buiten de ‘platgetreden paden’. Waarbij zij, als ‘vrijheid’, niet alleen nieuwe, ‘instrumentele’ wegen kunnen ontdekken maar ook nieuwe perspectieven, en een nieuw doel, dat wil zeggen een nieuwe ‘situatie’!

Zinloos situationeel
Zoals we hebben gezien bij racen op een circuit, of bij ‘off road’ gaan, er is niet altijd sprake van een afwisseling van de ‘instrumentele’ en de ‘situationele’ houding, waarbij een nieuwe de situatie ontwikkeld wordt.
En er zijn nog meer voorbeelden van een dergelijke eenzijdigheid. Zo kunnen bestuurders en inzittenden zich richten op het ondergaan van het landschap, op de beleving, zonder doel of plan om ergens te komen. Een puur ‘situationele’ houding die belichaamd wordt door de ‘Amerikaanse slee’.

Puur ‘situationeel’? Misschien is dat overdreven, maar de connectie met de ‘instrumentele’ houding lijkt toch wel ver weg. Een slee wordt niet voor niks zo genoemd. Deze auto’s lijken over de weg te ‘glijden’, eerder dan er contact mee te houden.
De nadruk op de ‘situationele’ houding is treffend tot uitdrukking gebracht in de illustratie hieronder.

Deze slee lijkt door het landschap te zweven. Alle verwijzingen naar de ‘instrumentaliteit’ zijn hier verdwenen. Hoe zouden de inzittenden kunnen ingrijpen en de richting inslaan van een attractie die zij in het landschap aantreffen? Hoe zouden zij afslagen kunnen nemen die hen daarheen kunnen voeren, zonder wielen, en zelfs zonder motor?
Een zinloze ‘situatie’, strict genomen, maar ook hier ligt weer een kans, want nu zouden de inzittenden kunnen ontdekken wat het betekent om zich verregaand over te geven aan de ‘situationele’ houding, en ontdekken dat hun bestaan als ‘vrijheid’ ook inhoudt dat zich nieuwe, onverwachte ervaringen kunnen aandienen. Wat uiteindelijk toch interessant kan zijn voor hun zelfverwerkelijking.

Zinloos instrumenteel
Er zijn automobilisten die zich haasten te zeggen dat zij hun auto zien als een puur functioneel object. Je zou kunnen denken dat zij zichzelf tot de ‘instrumentele’ houding hebben veroordeeld en nu louter functionen, nuttig voor geen enkel ‘situationeel’ doel, geen enkele ‘situatie’ waarin zij zouden kunnen genieten van hun ‘instrumentele’ inspanningen. Dit zou je zinloos ‘instrumenteel’ kunnen noemen. Opnieuw een voorbeeld van een levenshouding waarin we onszelf als ‘vrijheid’ te kort doen omdat zelfverwerkelijking hierdoor onmogelijk maakt.
Maar misschien bedoelen zij wel iets anders, mischien willen zij niet worden aangezien voor automobilsten die de ‘situationele’ kwaliteiten van hun auto, de belevingswaarde, gebruiken als statussymbool, om medeweggebruikers te kleineren. Door zichzelf te betitelen als ‘puur functionele gebruikwers’ kunnen zij de arena verlaten.
Ontwerpers kunnen proberen hierop in te spelen, maar de praktijk leert dat het niet meevalt om een puur ‘instrumentele’, of functionele, auto te ontwerpen.

De auto op bovenstaande illustratie werd, vanwege het minimale en puur functionele programma, door het ontwerpteam ‘een paraplu op wielen’ genoemd, maar kreeg al gauw de bijnaam ‘lelijke eend’, waarmee niet alleen verwezen werd naar de afwezigheid van een positieve, ‘situationele’ kwaliteiten. Door het sprookje van Andersen was deze naam tegelijkertijd een troetelnaam voor de auto, waarmee deze een toch een positieve ‘situationele’ betekenis kreeg die afstraalde op de bestuurder. En zo kwam deze toch weer terug in de arena, en wel in de sympathieke rol van iemand die niet meedoet in de status competitie.

De auto als masker
Er zijn ook bestuurders die buiten de arena willen blijven door geen enkel statement te maken. Zij zoeken een voertuig met een onuitgesproken ‘situationele’ belevingswaarde dat zij dragen als een masker om zich achter te verschuilen.

Staat een dergelijke keuze nu de mogelijkheid van zelfverwerkelijking van de berijders in de weg? In principe niet. Zij kunnen het landschap onderzoeken, interessante plaatsen uitkiezen, proberen daar te komen om er met pleizer rond te lopen en deze als een nieuw verworven situatie te ervaren. Maar zouden ze dat ook doen? Gezien de keuze van hun auto zouden zij misschien in de rest van hun bestaan ook terughoudend zijn en zich gedragen zoals ‘men’ dat van hen verwachtte. Hiermee geven zij zichzelf niet de kans om zich als ‘vrijheid’ te verwerkelijken, om uit te gaan van hun eigen authentieke ervaring van de ‘situatie’, om daar vervolgens weer met een eigen, ‘instrumentele’ actie op te reageren. En zich zo te verwerkelijken.

Statussymbolen
Hoe zit het nu met die bestuurders die er niet voor terugdeinzen om de ‘situationele’ waarde van hun voertuig in te zetten, juist om indruk te maken? Door zich te laten zien in een voertuig dat groot en duur is, om daarmee te verwijzen naar hun hoge maatschappleijke status.

Ook met dergelijke statussymbolen kan men een niewe situatie bereiken, waarmee ook deze voertuigen de zelfverwerkelijking van de bestuurder niet in de weg staan, maar toch gaat er iets mis. Het symbool van de hoge status van de bestuurder is tevens symbool van de lage status van de meesten van ons, zoals bergen onherroepelijk zijn verbonden met een valei. Hier zien we hoe we met elkaar verbonden zijn en afhankelijk zijn van elkaar. ‘Anderen’ vormen de ‘menselijke context’ waarin we als individu tot ons recht kunnen komen. Maar als dat zo is dan doet het kleiner maken van anderen afbreuk aan onze menselijke context en daarmee aan onszelf!

Grommen         
Er zijn bestuurders die een stapje verder gaan in het kleineren van anderen. Ook zij hebben een voorkeur voor grote auto’s, maar nu om macht en agressie uit te stralen. Koplampen als samengeknepen ogen, de grill als een bek, een hoge, robuuste carrosserie, zijramen opgeschoven tot boven schouderhoogte, waardoor inzittenden veilig op de wereld neer kunnen kijken. Bestuurders van deze auto’s grommen zich, boven iedereen uittronend, door het verkeer.

Stel je zo’n bestuurder voor, die groot en grommend aankomt bij de uitgekozen bestemming. Hij zou kunnen weten dat de aanwezigen hem er van verdenken dat hij deze bestemming niet helemaal ‘eerlijk verkregen’ heeft, omdat hij medeweggebruikers heeft geïntimideerd en mogelijk gebruuskeerd. Daardoor kan de ‘situationele’ houding van deze bestuurder, als het gaat om de ervaring van de verworven bestemming, al enigszins aangetast zijn, want we komen hier in de buurt van: ‘gestolen goed gedijt niet’. Als hij eerlijk is zou hij zich ook wel eens niet welkom kunnen voelen, waardoor het moeilijk is om met de andere aanwezigen, de ‘menselijke context’, van gedachten te wisselen, wat zijn ervaring van de situatie zou kunnen bevestigen en verrijken.
Maar een beetje bully trekt zich daar natuurlijk niks van aan. Die heeft daarvoor z’n redenen, die hij af en toe voor zichzelf herhaalt. Maar dat is de tragiek van bullies: ze stellen zichzelf misschien gerust, ‘ik ben ne eenmaal geen watje’, maar hoe weten ze nu of anderen, mocht het tot een uitwisseling van ervaringen komen, ze niet naar de mond praten. Een onzekerheid die zij alleen naar eigen inzichten kunnen invullen. Waardoor zij gedoemd zijn terug te vallen op hun eigen fantasie… De wereld waarin hij zich als ‘vrijheid’ zou willen verwerkelijken is misschien niet wat het lijkt.

Op avontuur
In de jaren vijftig trok men er in de Verenigde Staten in grote getale op uit. Het nieuw aangelegde wegennet (mogelijk gemaakt door de New Deal politiek van president Roosevelt) bood stedelingen de kans de wereld buiten hun eigen buurt of stad te gaan verkennen. De auto was hiervoor het aangewezen middel.
Wat ontdekten zij allemaal? Niet alleen het landschap maar ook een nieuw verschijnsel: wegrestaurants, de ‘drive-ins’. Hier troffen vooral tieners elkaar, in de auto van hun ouders. Je zou kunnen zeggen dat zij de kans grepen om hun eigen ‘situaties’ te ontdekken en verwerven.
Opmerkelijk was dat zij hier vriendschappelijk met elkaar omgingen. Hier werd bewaarheid dat mensen elkaars ervaringen kunnen bevestigen en verrijken. Dat gold zelfs voor leden van verschillende ‘gangs’ als die elkaar bij een ‘drive-in’ ontmoetten.

Wat misschien een rol gespeeld heeft, is dat zij allemaal onder de indruk waren van wat zij meemaakten, misschien zelfs in verwondering over ‘het bestaan’ in meer algemene zin. En verwondering gaat hand in hand met openheid, waardoor zij oog konden hebben, niet alleen voor de omgeving, maar ook voor elkaar. Voor ‘de ander’ als ‘vrijheid’en als bron van ervaringen. Voorwaar een fantastische ‘menselijke context’!

Automatisering
Omwille van de veiligheid worden meer en meer functies in de auto geautomatiseerd. ABS en tractioncontrol helpen bestuurders bij een noodstop of bij een te snel genomen bocht. Wordt hier onze ‘instrumentele’ houding overbodig gemaakt? Niet echt, we moeten nog steeds remmen en sturen.
En wat te denken van de navigatie die ons naar onze bestemming praat? Hier leveren we meer in. In plaats van zelf de route uit te zoeken op de kaart en de bewegwijzering in de gaten te houden, kunnen we nu ons braaf laten voorzeggen. Als we dan op de door ons uitgekozen bestemming aankomen, die kiezen we dus nog wel zelf, dan hebben we deze bereikt op basis van braafheid en niet op basis van doortastendheid. Het kan, maar de waarde van het bereiken van een nieuwe ‘situatie’ wordt er afgezwakt, doordat het op deze manier wel erg gemakkelijk is.

Intussen bestaat de droom om de besturing geheel uit handen te geven al decennia. Wat zou hiervan de invloed kunnen zijn op onze zelfverwerkelijking? De enige ‘instrumentele’ actie die we nog hoeven te ondernemen is het intoetsen of inspreken van de bestemming. (En in de toekomst hoeven we daar alleen nog maar aan te denken) Wat het bereiken van de ‘situatie’ ‘gratuit’ maakt.
Wie zich hier nog zou willen verwerkelijken als automobilist is als een concertpianist met een pianola. Die moet een ander (en graag duurzamer) terrein zoeken om zich te verwerkelijken. Of de ‘pianola’ opdoeken en een oldtimer kopen!

Nawoord
Als we het idee van vrijheid in verband met de auto brengen dan hebben we het gewoonlijk over hoe makkelijk je overal kunt komen. Over bewegingsvrijheid.
Maar het blijkt dat het gebruik van de auto ook in een existentialistisch perspectief te plaatsen is, een filosofie waarin het erom gaat onszelf als ‘vrijheid’ te verwerkelijken. Wat we kunnen doen door onze omstandigheden, onze ‘situatie’ te ontwikkelen en daarmee te vernieuwen. Door dit ‘ontwikkelen’ iets ruimer te formuleren, namelijk als ‘het verwerven van een nieuwe situatie’ is autorijden gemakkelijk in een existentilistsch perspectief onder te brengen.

Tijdens het schrijven werd ikerdoor verrast dat de ‘situationele’ houding en de ‘instrumentele’ houding op zoveel aspecten van het autorijden van toepassing waren, waardoor zij een plaats konden vinden in een existentialistische interpretatie. Zoals nieuwe perspectieven ervaren, grenzen verkennen en het belang van de ‘de ander’ en de ‘menselijke context’.
Ook waren er aspecten die in eerste instantie niets met een existentilistische interpretatie te maken leken te hebben. Zoals autoracen, off road gaan, of een ‘zinloze situationele’ dan wel ‘zinloze instrumentele’ houding.
Tenslotte is er de ervaring dat een ‘situatie’ die is bereikt door automatisering, weinig betekenis heeft, omdat men er geen ‘instrumentele’ moeite voor heeft hoeven doen. Het ‘pianola effect’.

Misschien verklaart deze existentialistische interpretatie waardoor autorijden zo geliefd is bij velen. Het is een terrein dat uitermate geschikt is voor zelfverwerkelijking, waarin de verschillende aspecten die daaraan meekomen gemakkelijk te herkennen zijn. En zelfs oltimer rijders kunnen hier een plaats vinden: zij mogen dan de lucht vervuilen, zij verzorgen ook het mobile cultureel erfgoed, dat wil zeggen, waarmee zij ons de kans geven te reflecteren op hoe we onze ‘situatie’ hebben ontwikkeld en daarmee op hoe we onszelf hebben verwerkelijkt. Wat ook weer mooi past in een existentialistisch perspectief.

Flip Krabbendam   Juni 2021

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *