Dat we een keer op moeten houden, dat we een keer doodgaan, wordt over het algemeen niet geapprecieerd. Liever bleven we eeuwig leven. Of kunnen we toch vrede hebben met onze eindigheid?
Er zijn twee benaderingen van deze vraag; een praktische en een meer inhoudelijke.

‘Robin Hood Tree’ in Engeland ca 1200 jaar oud
Praktische benadering
Doordat wij als biologische wezens niet eeuwig leven kan er zoiets als evolutie bestaan.
Zonder die evolutie, met winst- en verliesmutanten, had de mens waarschijnlijk niet eens bestaan… laat staan verlangd naar eeuwig leven. Maar dat mag dan zo zijn, misschien verschijnt er een keer een mutant die niet veroudert. Waarvan de lichaamscellen foutloos delen of kleine foutjes herstellen. Bij bomen kan dat, zo bewijst de 1200 jaar oude ‘Robin Hood Tree’ in Engeland.
Of anders komt de wetenschap wel met een stofje of een medicijn.
Stel je voor dat iedereen dan oneindig lang zou leven en denk je eens in hoeveel ruimte de dagboeken van 1 persoon dan zouden innemen… de hele ruimte. Of de dagboeken van alle mensen samen? Ook de hele ruimte (Er is iets moeilijks met het begrip oneindig…) En als er niemand afvalt, neemt de wereldbevolking nog veel sneller toe dan nu.
Maar er zullen altijd afvallers zijn. De kans dat iemand geveld wordt door een ziekte, omkomt door een ongeluk, verpletterd wordt door een vallende boom of meegesleept door een vloedgolf, in een afgrond stort of van een brug valt, wordt 100%.
Zoiets gebeurt ook bij bomen, die kunnen in theorie misschien altijd voortleven, maar toch komt hun leven altijd tot een einde, omdat zij ziek worden, besmet door schimmels, of omwaaien, of uitdrogen in extreme zomers. De bovengenoemde Robin Hood Tree werd ook na 12 eeuwen doodverklaard. Op de illustratie is te zien hoe deze boom in z;’n laatste jaren door mensen ondersteund werd.
Dus eeuwig leven is praktisch onhaalbaar, maar eeuwen leven zou moeten kunnen.
Als we ons inhouden en minder nakomelingen verwekken, dat zou moeten kunnen, maar de kans is waarschijnlijk toch groot dat de wereldbevolking een exponentieel groetende belasting voor de planeet zijn. Waardoor overal conflicten uitbreken, strijd om ruimte, water, voedsel en energie. Net als nu, maar dan steeds een graadje erger.
Er kleven dus wel wat praktische bezwaren aan levens die zich over de eeuwen uitstrekken.
Inhoudelijke benadering
Het zou dan misschien praktisch tot problemen leiden, maar het is toch verleidelijk, en genoemde problemen kunnen toch voorkomen worden! Als mensen ouder worden, worden ze misschien ook wijzer… Maar misschien gebeurt er nog iets anders.
Simone de Beauvoir beschrijf in haar roman ‘Alle mensen zijn sterfelijk’ (Tous les hommes sont mortels’) een edelman, Fosca, die eeuwen geleden een elixer heeft gedronken dat hem onsterfelijk maakte. En die edelman verveelt zich gruwelijk. Zijn leven gaat maar door en hij wordt er gek van!
Maar zou dat zo zijn? Ons bewustzijn is per definitie creatief en maakt dat we een ontwikkeling kunnen doormaken, waarbij we onszelf en onze wereld voortdurend vernieuwen…
Maar dan is er nog een probleem dat wel wordt opgeworpen: als je alles uit kunt stellen, zou dat betekenen dat je nergens meer toe komt. Wat zou leiden tot apatie. Maar onze sterfelijkheid is toch niet de prikkel die tot actie aanzet! Je kunt ook nieuwsgierig zijn naar hoe iets zich ontwikkelt en naar wat de mogelijkheden zijn die ergens in besloten liggen, ook zonder dwingende deadline!
Ook deze tegenwerping lijkt dus geen stand te houden. Maar er is meer.
Wonen in de tijd
Eeuwig onderweg op een oneindige tijdlijn… Ooit heb ik (zie ‘Tao Teh Flip’) geopperd dat je het contact met je basis verliest als je eeuwig door zou leven. Dat je dan niet meer weet waar je begonnen bent en heel iemand anders kan worden. Anders gezegd: een eeuwige toerist die altijd onderweg is, of in elk geval eeuwen, en nooit tot ‘wonen’ komt. Tot ‘wonen in de tijd’.
En dat is wat we nu doen en wat essentieel lijkt te zijn: we zijn gesitueerd in de tijd, daar zijn we niet op ‘doorreis’. Dat is van groot belang. Als we altijd alleen maar op doorreis waren dan is het misschien wel terecht te vrezen voor bovengenoemde effecten, verveling en apatie, Maar als we uitgaan van ‘wonen in de tijd’ dan kan onze betrokkenheid zich ontwikkelen zonder te worden weg gerelativeerd. In grote lijnen ziet dat er zo uit:
-Tot je tienerjaren neem je de wereld tot je en vestig je een heet arsenaal van betekenissen.
-In je pubertijd zie je alternatieven
-En vanaf die tijd ga je werken aan verbeteringen of veranderingen.
-Vervolgens doe je het met wat je verworven hebt,
-Mogelijk kijk ja daarna terug op een afgerond verhaal, of beter, op een herkenbare schakel in de tijd.
Meegaan met je tijd?
In deze ontwikkeling moet je je elke verandering ‘toe-eigenen’ om er te kunnen ‘wonen’. Maar op een dag weegt het plezier of het gemak van de verbetering weegt niet meer op tegen de moeite en de onwennigheid die deze met zich meebrengt.
In deze fase begin je ‘eigenwijs’ te worden: je voelt weinig voor vernieuwingen, Het heet dan dat je niet meer meegaat met je tijd. Als ik bij mezelf te rade ga: tekenen met behulp van de computer was me meteen al te veel. Ik was gewend te tekenen met een tekenpen, en later een fineliner, op papier, op m’n tekentafel. Op de computer tekenen voelde ongemakkelijk, alsof ik met mes en vork erwtjes zat te eten. Wat een gedoe, terwijl, ik kon toch al tekenen?! Nooit gedacht dat er iets mankeerde aan de maner waarop ik dat deed. Ik had gewoon geen zin om te ‘verhuizen’.
Hier zie je hoe je, net als een computer, steeds moeilijker te updaten bent naarmate je ouder wordt. Het toont je betrokkenheid bij hoe je ‘woont’ in je tijd.
Maar pas op: verzet tegen ‘verhuizen’ kan ook berusten op verworven inzichten. (Wat óók kan samenhangen met leeftijd…) Zo kun je tegen de individualisering zijn, die meekomt aan online kopen van spullen en het scannen van boodschappen. Omdat deze ontwikkelingen leiden tot isolement en eenzaamheid. Tot een gebrek aan spontane contacten en het ‘verdampen’ van onze sociale context, de basis van onszelf als individu!
Gebrek aan een sociale context kan ook onze gesitueerdheid in de tijd aantasten, omdat met het verminderen van sociale contacten ook vermindert wat we weten en begrijpen van het verleden en hoe we kunnen denken over ideeën voor de toekomst.
Met oude mensen, die bij de geschiedenis horen, kun je daar een gesprek over beginnen, tenminste als je in contact met ze kan komen. Met jonge mensen, die bij de toekomst horen, kun je gedachten ontwikkelen en uitwisselen, over hun verwachtingen en hun intenties.
En wat ik aan mezelf merk: naarmate ik ouder word, raak ik meer en meer vertederd door kleine kinderen. Door hun onbevangenheid, spontaniteit en dapperheid. Door wat ze, zonder het te weten, ‘beloven’.
Praktisch en toch inhoudelijk
Zo komen praktische en inhoudelijke instellingen bij elkaar. Praktisch zijn we biologisch gedetermineerd om maar een beperkte tijd leven (zolang er geen mutatie of medicijn komt dat de beperking opheft) wat ons inhoudelijk in staat stelt om in de tijd willen ‘wonen’.